Montageaanwijzingen voor Lewis Max4 wapeningsplaten
Veiligheid
Let bij het verwerken van de Lewis Max4 wapeningsplaten altijd op uw veiligheid. De Lewis Max4 wapeningsplaten hebben scherpe randen en hoeken. Draag beschermende handschoenen en kleding.
Voorbereiding van de vloer
- De betonnen of houten ondervloer moet bezemschoon zijn, draagkrachtig en zoveel mogelijk vlak en waterpas.
- Houten draagconstructies en vloeren indien nodig verzwaren, repareren en/of aanhelen.
- Incidentele sparingen kleiner dan 25 cm kunnen door de Lewis Max4 wapeningsplaten overspannen worden.
- Op houten vloeren een waterkerende bouwfolie aanbrengen.
Randstroken
Vóór het monteren van de Lewis Max4 wapeningsplaten moeten randstroken (type RDS10 voor Max4 FS09 en FS10 wapeningsplaten en type RDS20 voor de Lewis Max4 therm FS20 wapeningsplaten) geplaatst worden.
De Lewis Max4 platen dienen goed op de randstroken aan te sluiten. De ruimte tussen de wapeningsplaten en de randstroken mag nooit meer bedragen dan 20 mm. Desgewenst kan de onderste blauwe rand van de randstrook verwijderd worden om een beter contact met de platen met de ondergrond te realiseren.
De Lewis Max4 platen dienen met de bijbehorende klemmen (3 stuks per strekkende meter) aan de randstroken vastgemaakt te worden.
Om daar waar nodig een afdichting tussen de platen en de randstroken te bereiken, wordt éénzijdig zelfklevend tape toegepast. De tape dient met een overlap van 10 .. 20 mm te worden verwerkt.
Nadat de gietvloer doorgehard is kan de randstrook op de hoogte van de vloer afgesneden worden.
Op maat maken van Lewis Max4 wapeningsplaten
De Lewis Max4 wapeningsplaten kunnen zowel in de breedte als in de lengte eenvoudig op maat gemaakt worden met een haakse slijper met een doorslijpschijf voor staal.
Het monteren van Lewis Max4 wapeningsplaten
Bij het monteren van de Lewis Max4 wapeningsplaten op houten vloerdelen moet er een waterkerende bouwfolie op de vloerdelen gelegd worden. Op betonvloeren is het veelal gewenst, dat de Lewis Max4 gewapende dekvloer zwevend (niet hechtend) wordt uitgevoerd.
Bij het leggen van de platen dienen de onderplaat (liplas) en de buiglippen steeds in de installatierichting te wijzen.
Leg de platen altijd van links naar rechts en, als dit mogelijk is, in de richting van de deur. Probeer altijd met een rechte lange kant te beginnen.
Van de eerste rij platen, die aansluit op de wand, moet de overlap van de bovenplaat afgezaagd worden. In lange smalle ruimtes moeten de platen in de lengte tegen de muur geïnstalleerd worden.
Bij houten ondervloeren, de Lewis Max4 platen bij voorkeur haaks op de balklaag, dus parallel aan de vloerdelen leggen.
Attentie: de Lewis Max4 wapeningsplaten bij montage nooit forceren!
De Lewis Max4 wapeningsplaten worden met een overlap ter breedte van de liplas verlegd. De buiglippen van de onderplaat vallen in de sparingen van de bovenplaat. Nadat een vloerveld met Lewis Max4 platen is vol gelegd, worden de buiglippen platgeslagen. Er wordt daarmee een blijvende verbinding tussen de platen bereikt.
Als het noodzakelijk of gewenst is kunnen de platen met daartoe geëigende bevestigingsmiddelen aan de ondervloer bevestigd worden. Doorlopende montage, dus zonder drempels tussen de verschillen vertrekken, is gewenst.
Montage van Lewis Max4 wapeningspaten bij doorgangen
Ter plaatse van doorgangen (zonder drempels) kunnen de Lewis Max4 wapeningsplaten gemonteerd worden met een kleine naad of verkleinde overlap van minstens 60 mm.
Als de platen gemonteerd worden met een naad (b.v. bij deuropeningen), dan dient het aanbeveling om de platen aan elkaar te bevestigen met behulp van metalen pennen, ankers of ander bevestigingsmateriaal.
Een dilatatie kan gemaakt worden met twee ruggelings tegen elkaar geplaatste randstroken.
Vooral bij opgaand werk en ter plaatse van deuropeningen kunnen de Lewis Max4 platen gaan schotelen als gevolg van onvolledige oplegging door een ongelijke ondergrond. De platen dienen aldaar mechanisch aan de ondervloer te worden bevestigd.
Na het monteren van de Lewis Max4 platen, en vóór het afwerken van de vloer met gietmortel, moeten de vloervelden en vooral ook de detailaansluitingen gecontroleerd worden op eventuele gebreken en beschadigingen.
Het installeren van de verwarmingsslang bij Lewis Max4 therm FS10 en FS20 wapeningsplaten
De dampdichte Lindner verwarmingsslang (8 x 1,1 mm) moet aan de hand van de volgende installatiedetails aangebracht worden:
- De maximale installatielengte per verwarmingscircuit is 35 meter.
- De afstand tussen de verwarmingsslangen bedraagt 12 cm.
- Benodigde hoeveelheid slangen (inclusief verlies) is 8,5 m/m2.
- Één verwarmingscircuit komt overen met circa 4 m2.
- Maximale vloervelden van 60 m2 voor een cementgebonden gietvloer en 120 m2 bij een anhydriet gietvloer op een cement-sulfaatgebonden gietvloer aanhouden.
- In oppervlaktes boven de 60 m2 dilatatievoegen opnemen.
- De slangen kunnen haaks of diagonaal in de Lewis Max4 therm wapeningsplaat ingevoerd worden.
Bij de Lewis Max4 therm FS20 wapeningsplaat is voldoende hoogte beschikbaar om de slangen elkaar te laten kruisen. - De verwarmingsslang wordt altijd in een lusvorm geïnstalleerd. Dit geeft een uitstekende warmteverdeling.
Een spiraalvormige installatie is niet raadzaam. - Om het drukverlies in de verwarmingslang laag te houden, mag er maximaal 35 meter slang per verwarmingscircuit van circa 4 m2 geïnstalleerd worden. Door een parallelle installatie van de verwarmingcircuits is elke oppervlakte-grootte uitvoerbaar.
- De lengte van de verwarmingsslang van elk afzonderlijk verwarmingcircuit moet even groot zijn.
- Bij het bepalen van de verwarmingcircuits zijn zo lang mogelijk lijnen en zo min mogelijke bochten aan te bevelen.
Verder is het raadzaam om situering van de slangen op de Lewis Max4 therm wapeningsplaten te markeren met een stift, waardoor de slangen op vooraf bepaalde plaatsen ingevoerd kunnen worden.
Benodigde lengte verwarmingsslang
| Aantal verwarmingcircuits | Oppervlakte | Slangverbruik incl. verlies |
|---|---|---|
| 1 | 4 m2 | 34 meter |
| 2 | 8 m2 | 68 meter |
| 3 | 12 m2 | 102 meter |
| 4 | 16 m2 | 136 meter |
| 5 | 20 m2 | 170 meter |
Wij raden aan...
Wij raden aan om in het midden van het verwarmingscircuit met in invoeren van de verwarmingslang te beginnen. Slang afsnijden en invoeren, resterende slanglengte kan afgemeten worden met behulp van de metermarkeringen op de slang. Controleer de verwarmingslang zorgvuldig op gebreken en beschadigingen. Om ervoor te zorgen dat er geen vuil in de verwarmingslang terecht komt, moet er een beschermingskapje gebruikt worden.
Om de installatie te vereenvoudigen is het raadzaam om een slanggeleider te gebruiken en een montagehulpstuk om bochten te maken. Om het maken van een 180° bocht mogelijk te maken, moeten er met een blikschaar 6 sparingen uit de bovenplaat verwijderd worden. Vervolgens het montagehulpstuk plaatsen.
De openingen maken het mogelijk om de verwarmingslang vrij van beschadigingen in te voeren, te leiden en om de bochten te maken. Het is raadzaam om de verwarmingslang vooralsnog iets uit het montagehulpstuk te laten steken.
Tot slot wordt de verwarmingslang door het montagehulpstuk geduwd. Het hulpstuk kan nu verwijders worden en de verwarmingslang komt op zijn definitieve plaats te liggen.